1. Dat de woorden in de Bijbel letterlijk zijn geinspireerd.
2. In één eeuwig God, die uit drie personen bestaat, namelijk: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
3. Dat Jezus Christus de Eniggeboren Zoon van de Vader is, die ontvangen is door de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.
Dat Jezus werd gekruisigd, begraven en verrees uit de dood.
Dat Hij is opgevaren naar de hemel en vandaag zit aan de rechterhand van de Vader als Hogepriester en Middelaar.
4. Dat alle mensen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en dat God wil dat allen tot bekering zullen komen en dat vergeving van zonden nodig is.
5. Dat gerechtigheid, vernieuwing, en de wedergeboorte, bewerkstelligd zijn door geloof in het bloed van Jezus.
6. In heiligmaking die volgt op de wedergeboorte, door het geloof in het bloed van Christus; door het Woord en door de Heilige Geest.
7. Dat heiligheid Gods maatstaf is voor het leven van Zijn volk.
8. In de doop met de Heilige Geest die volgt nadat het hart gereinigd is.
9. In het spreken met andere tongen zoals de Geest geeft uit te spreken en dat dit het bewijs is van de doop met de Heilige Geest.
10. In de doop door onderdompeling in water, en dat allen die zich bekeerd hebben, gedoopt zullen worden in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; in de Naam van onze Here Jezus Christus.
11. Dat Goddelijke genezing voor allen is door de verzoening.
12. In de noodzaak van het regelmatig vieren van het Heilig Avondmaal, waarmee wij de dood van de Here gedenken en verkondigen totdat Hij komt.
13. Dat Jezus zal wederkomen vóór het duizendjarig vrederijk. Dat wanneer de Here zal komen, zij, die in Christus gestorven zijn, het eerst zullen opstaan; dat daarna wij, levenden, die geloven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden de Here tegemoet in de lucht. Dat in het duizendjarig vrederijk koning Jezus duizend jaren zal regeren op aarde.
14. In de lichamelijke opstanding van Jezus uit de dood, en de lichamelijke opstanding van de doden die in Christus ontslapen zijn, bij Zijn wederkomst; in het eeuwige leven voor de rechtvaardigen, en het eeuwig oordeel voor de goddelozen.
15. In de Grote Opdracht, die de Here Jezus ons heeft toevertrouwd om die te volbrengen: "Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het Evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen:
in MIJN NAAM zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden". (Marcus 16:15-18).
Met grote nadruk stellen wij nog:

HET WOORD VAN GOD heeft ABSOLUUT GEZAG boven welke belijdenis ook.
LEEFREGELS
1. Bekering. Markus 1:15; Lucas 13:3; Hand. 3:19.
2. Rechtvaardiging. Rom. 5:1; Titus 3:7.
3. Vernieuwing. Titus 3:5.
4. Wedergeboorte. Joh. 3:3; 1 Petr. 1:23; 1 Joh. 3:9.
5. Heiligmaking volgend op rechtvaardiging. Rom. 5:2; 1 Kor 1:30; 1 Thess. 4:3; Hebr. 13:12.
6. Heiliging. Lucas 1:75; 1 Thess. 4:7; Hebr. 12:14.
7. Waterdoop door onderdompeling. Matth. 28:19; Markus 1:9,10; Joh. 3:22,23; Hand. 8:36,38.
8. Doop met de Heilige Geest volgend op de reiniging; het aangedaan zijn met kracht voor de bediening. Matth. 3:11; Lukas 24:49,53; Hand. 1:4-8.
9. Het spreken in tongen zoals de Geest geeft uit te spreken als het bewijs van de doop met de Heilige Geest. Joh. 15:26; Hand. 2:4; 10:44-46; Hand. 19:1-7.
10. Geestesgaven. 1 Kor. 12:1,7,10,28,31; 1 Kor. 14:1.
11. Tekenen en wonderen die de gelovigen volgen. Markus 16:17-20; Rom. 15:18,19; Hebr. 2:4.
12. Vrucht van de Geest. Rom. 6:22; Gal. 5:22,23; Efeze 5:9; Fil. 1:11.
13. Goddelijke genezing in de verzoening voorzien voor allen. Psalm 103:3; Jesaja 53:4,5; Matth. 8:17; Jacobus 5:14-16; 1 Petr. 2:24.
14. Het Heilig Avondmaal. Luk. 22:17-20; 1 Kor. 11:23-26.
15. Tienden en offers. Gen. 14:18-20; 28:20-22; Maleachi 3:10; Luk. 11:42; 1 Kor. 9:6-9; 16:2; Hebr. 7:1-21.
16. Waar mogelijk vergoeding aan anderen. Matth. 3:8; Luk. 19:8,9.
17. Wederkomst van Jezus, vóór het duizendjarig rijk. Ten eerste, de opwekking van de heilige ontslapen doden en de opname van hen tezamen met de heilige levenden in de lucht de Here tegemoet. 1 Kor. 15:52; 1 Thess. 4:15-17; 2 Thess. 2:1. Ten tweede, Zijn regeren op aarde duizend jaren. Zacharia 14:4; 1 Thess. 4:14; 2 Thess. 1:7-10; Judas 14,15; Openbaring 5:10;19:11-21;20:4-6.
18. Opstanding. Joh. 5:28,29; Hand. 24:15; Openb. 20:5,6.
19. Eeuwig leven voor de rechtvaardigen. Matt. 25:46; Luk. 18:30; Joh. 10:28; Rom. 6:22; 1 Joh. 5:11-13.
20. Eeuwige straf, voor de goddelozen. Geen verlossing, maar eeuwige pijniging. Matt. 25:41-46; Markus 3:29; 2 Thess. 1:8,9; Openbaring 20:10-15; 21:8.